Kerst Zondagschool 1951

Dit wordt een mierzoete column. U bent gewaarschuwd. Zo vlak voor Kerst moet je niet kritisch gaan zitten doen. Dan verwacht men iets nostalgisch, ontroerends of zo. ‘Tippeltje’, bijvoorbeeld, een hondje in een ton, die in het water terecht komt. Echt heel verschrikkelijk ontzettend zielig.

In het gro-te-wa-ter lag een schip; – tegen de wal. Het was met ster-ke tou-wen vast-ge-bon-den aan een dik-ke paal. 

Op die wal, vlak bij het schip, vlak aan het rand-je van het wa-ter, stond een ronde-de ton. En in die ton….?

,,Waf!… waff!…,’’ klonk het; – heel zacht, heel ver-drie-tig….

In de ton zat een klein, wit hond-je. Zijn e-ne oor was zwart en het punt-je van zijn staart was ook zwart.

Eerlijk gezegd, had ik liever een stukje geschreven over de verkeerschaos, die zich dagelijks voordoet op en rond het Raadhuisplein. Wat heeft de gemeente er hier een zooitje van gemaakt, zeg. Moesten auto’s ineens via de brug het Raadhuisplein op en er bij de Stationsweg weer af. Terwijl dat jaar en dag andersom was. Om het extra ingewikkeld te maken, blijft het toegestaan om vanaf de Stationsweg het plein op de rijden. 

Ook fietsers en voetgangers zijn er door de nieuwe regels aan de heidenen overgeleverd. Voortdurend dreigen ze plat te worden gereden, vooral bij de brug. Toch blijven burgemeester en wethouders volhouden, dat hun maatregelen ‘de bereikbaarheid en de verkeersveiligheid ten goede komt.’ Ja hoor, geloven ze het zelf? Blijkbaar hebben ze poep in hun ogen. 

Dan te bedenken, dat binnenkort ook de verbinding tussen het Raadhuisplein en het Drie Kolommenplein open gaat voor autoverkeer. Over een paar maanden Lidl opent. En straks het verkeer door Dorp wordt omgeleid, als de Burgemeester Kasteleinweg op de schop gaat.

Sorry, dat ik me toch weer even liet gaan. Snel verder met ‘Tippeltje’…

Er lie-pen man-nen op het schip, gro-te ster-ke man-nen.

Ze haal-den zwa-re zak-ken uit het schip. Die droe-gen ze naar een wa-gen toe op de wal.

De man-nen za-gen de ton wel staan, maar het hond-je, diep in de ton, neen, dat za-gen ze niet.

Toen ik de kerstspullen van zolder haalde (ik had het gevoel, dat ik ze er net had opgeborgen), vroeg ik mij af wat er toch in die doos zat, daar achterin de hoek. Hij bleek vol met boeken te zitten. Maar wàt voor boeken, geen idee. Een mooie gelegenheid om uit te zoeken, welke bewaard moesten blijven of naar Dorcas konden. 

…Toen kwa-men de jon-gens bij het gro-te schip en dáár, vlak bij de rand van het wa-ter, stond de ton.

Maar de jon-gens ke-ken niet eens naar de ton en toen…. Toen gaf de e-ne jon-gen, de groot-ste, de wild-ste, de an-de-re jongen een duw. Hij viel bij-na om. Hij bonk-te te-gen de ton aan met een har-de bom.

Oh…., toen schoof de ton weg van de kant en gleed het wa-ter in…

Plons….!

‘Tippeltje’, door W.G. van de Hulst-junior, met plaatjes van de schrijver, was het eerste boek dat ik uit de loodzware doos haalde. Op de binnenkant van de kaft stond: Op het Kerstfeest uitgereikt aan Dikkie Piet. Dit boek had ik in 1951 gekregen op het kerstfeest van de zondagsschool in Aalsmeer-Oost. 1951…, ik was toen nog maar een kontkrummel van vijf. 

… In een hoek-je, bij het for-nuis, staat een mand-je. Dat mand-je is van Tip-pel-tje, 

het klei-ne, wit-te hond-je. Zijn e-ne oor is zwart en het punt-je van zijn staart is ook zwart. Dat hond-je is van Kees en An-ne-ke.

Maar …. het mand-je is leeg en  ….. Tip-pel-tje is weg. Waar is hij nu….?

Kees en An-ne-ke we-ten het niet. Moe-der en va-der we-ten het ook niet.

Oh, ’t is zo erg, zo vre-se-lijk erg….

Overmand door nostalgische gevoelens (waar ik wel vaker last van heb) voelde en rook ik aan het slechts 46 pagina’s tellende boekje, dat ik 67 jaar had bewaard. Ik herbeleefde het kerstfeest op de Zondagsschool in 1951. Ik zag mezelf weer zitten in de hervormde Oosterkerk, samen met tientallen andere kinderen. Een spannend, blij gevoel in mijn buik. 

… Kees en An-ne-ke ging-en naar bed, ie-der naar zijn ei-gen klei-ne koets. In het mid-den was een paad-je. Daar zat moe-der op een stoel.

Kees ging op zijn knie-tjes zit-ten, hij deed zijn han-den sa-men. An-ne-ke leg-de haar hoofd-je te-gen moes aan. 

,,Moes,’’ fluis-ter-de An-ne-ke, ,,hoor es.’’

Moes luis-ter-de. Kees luis-ter-de ook.

,,Nie-mand weet waar Tip-pel-tje nu is. Maar de Lie-ve Heer weet het wel, hè moes?’’

Moe-der knik-te.

,,Mo-gen wij nu de He-re vra-gen, of Hij op Tip-pel-tje pas-sen wil, en of Tip-pel-tje weer bij ons te-rug komt? Mag dat, moes?’’

Moe-der zei: ,,Ja, hoor, dat mag, dat is heel goed. Doen jul-lie dat maar.’’ 

Verder was de kerk gevuld met vaders en moeders. Ook met opa’s en oma’s, maar niet die van mij. Die van moeders kant waren gereformeerd en prakkezeerden er niet over om in een hervormde kerkbank plaats te nemen. Mijn opa van vaders kant, (opoe leefde al niet meer) had nog een stuk of honderd kleinkinderen, dus voor hem was daar geen beginnen aan.

… De ton drijft ver-der, hoe lan-ger hoe dich-ter naar de kant. Dan komt er een gro-te stoom-boot aan. Hij vaart snel, en hij maakt ho-ge, wil-de gol-ven.

Oh, en dan rolt er zo’n heel ho-ge golf aan. Hij duwt de ar-me ton om-hoog en tilt hem zo-maar uit het wa-ter…. bonk ….  Hij smijt hem zo-maar op de kant.

De ton valt om en Tip-pel-tje….? Tip-pel-tje rolt er-uit, in het gras.

Naast de preekstoel stond een grote kerstboom. Daarvoor een lange tafel, gedekt met witte lakens. Bovenop lagen de kerstgeschenken, die na afloop van de dienst aan de kinderen zouden worden uitgereikt. Er werden kerstliedjes gezongen en vertelde iemand van de zondagsschoolleiding het kerstverhaal. Op een groot flanelbord werden onder meer afbeeldingen van de stal, de herders en de engelen geplakt. 

… Aan de kant van het wa-ter staat een mo-len, en bij die mo-len ligt een schip aan de wal. Dat is het schip, waar de twee ver-drie-ti-ge schip-per-tjes wo-nen.

,,Wat is dat nou,’’ bromt Oom Jan-nus. ,,Er is nie-mand thuis. Hij kijkt naar Tip-pel-tje. Hij denkt: ,,Wat moet ik nu met die klei-ne deug-niet be-gin-nen?’’

Ah, hij weet wat.

Naast het deur-tje, ach-ter op het schip, staat een gro-te ton. ,,Dat is vast de ton, die op het wa-ter ge-dre-ven heeft…’’ Hij lacht.

O, en dan zet hij Tip-pel-tje zo-maar in de ton, wéér in de ton.

Tip-pel-tje schrikt. ,,Waf-waf!’’

Oom Jan-nus aait Tip-pel-tje o-ver zijn kop. Hij zegt: ,,Stil maar, hoor, je mag er wel gauw weer uit.’’

Hoogtepunt van het kerstfeest, was het vrije verhaal. Dat werd verteld na de eerste traktatieronde: een chocoladekerstkransje. Na het tranentrekkende verhaal, volgde de tweede: een fondant kerstkransje. Nee, chocomelk werd niet geschonken, waarschijnlijk om koster Bax schoonmaakwerk te besparen. Nou was ik niet zo van de chocolademelk, dus ik miste het niet.

… Daar ko-men de twee klei-ne schip-per-tjes weer aan. Ze heb-ben met va-der en moe-der bood-schap-pen ge-daan. Kees en An-ne-ke stap-pen het eerst de loop-plank op.

En op-eens…. O, hoor eens…. ,,Waf, waf!’’….

Waar is dat….? Dáár….?

Ze vlieg-en naar de ton.

En in de ton…. Ja, ja daar zit Tip-pel-tje…. ,,O, Tip-pel-tje!…. O, moe-der, va-der…. Tip-pel-tje!’’

Nadat de dienst was afgelopen, kregen we eindelijk ons kerstgeschenk, bestaande uit een koekkrans, een enorme Jaffa sinaasappel, een scheurkalender en een boek: Tippeltje. Dolblij met dit alles, liep ik met vader en moeder weer naar huis. Natuurlijk sneeuwde het, want dat deed het vroeger altijd, toch?

… Vader zit in een gro-te stoel, dicht bij het for-nuis. Hij leest de krant en hij rookt zijn pijp-je. Kees en An-ne-ke zit-ten ie-der aan een kant van de ta-fel. Moe-der heeft voor hen al-le twee een dik-ke bo-ter-ham met brui-ne sui-ker ge-maakt.

Het is feest, om-dat Tip-pel-tje weer te-rug is.

Ik was vijf en kon het boek nog niet zelf lezen. Zou mijn moeder het me hebben voorgelezen? Of mijn vader? Of een van mijn oudere broers of mijn zus? Gezellig, naast de kerstboom met echte kaarsjes? Helaas kan ik het me niet meer herinneren. Het meest waarschijnlijke is, dat het boekje ongelezen in deze bewaardoos terecht is gekomen.

… Kees en An-ne-ke gaan naar bed. ,,Moes,’’ fluistert An-ne-ke. ,,Hoor es.’’

Moes luis-tert; Kees luis-tert ook.

,,De Lie-ve Heer heeft op Tip-pel-tje gepast; de Lie-ve Heer heeft voor hem ge-zorgd, hè moes?’’

Moes knikt.

,,Als wij ons ge-bed-je heb-ben op-ge-zegd, mo-gen we dan ook de He-re dan-ken, dat Hij Tip-pel-tje weer bij ons te-rug heeft la-ten ko-men? Ja, moes?’’

Moe-der zegt: ,,Ja, hoor, dat mag, dat is heel goed.’’

Van opruimen kwam niets meer terecht. In plaats daarvan, las ik Tippeltje. Voor het eerst, na 67 jaar. Nee, ik breng het niet naar Dorcas. Geen spráke van! Ik denk, dat ik het binnenkort voorlees aan mijn kleindochter. Ronja is vijf, net zo oud als ik toen. Misschien wil ze het boek hebben, gewoon…, om te bewaren.

Dick Piet is journalist. Geeft zijn nieuwsgierigheid al meer dan een halve eeuw de vrije loop in de schrijverij. Schopte het tot hoofdredacteur van de Aalsmeerder Courant. Graaft op papier graag dieper dan anderen in naoorlogs Aalsmeer. Pleziert Aalsmeerders veelvuldig met foto's van vroeger op platform 'Je bent Aalsmeerder als…' en met nostalgische filmavonden in de Feestweek.

 

Lees vorig bericht

Radiomakers het beste in liedjes raden

Lees volgend bericht

Met limousine naar kerstdiner


3 Reacties

  • wat een fijne kerst gedachte om voor te lezen aan Ronja.
    laten wij hopen dat dit soort kleine verhaaltjes bij dragen aan vrede hoopvol en liefde in 2019.

  • Dankjewel, Ernie. Wij wensen jullie hetzelfde toe!

  • Beste Dick
    Na zo’n prachtige nostalgische column rest mij niets anders dan je te wensen:
    ‘Veel Heil en Zegen” voor de toekomst met allen die je lief en dierbaar zijn .

Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *