Column: ‘Dorp in coronatijd’

Met de intrede van de versoepelingen voelt het voor de columnist van vandaag alsof hij vanonder zijn steen vandaan komt, uit een winterslaap ontwaakt en tegelijk een koe is die de wei weer in mag na een paar maanden te zijn opgehokt. Kudelstaarter Paul Bras leidt u rond in zijn ‘reptielenbrein’ en gaat van hondenuitlaters naar de tandarts en via de avondklok naar een steenkoud terras. Dat is het mooie van een column, daarmee kun je alle kanten op.

Door Paul Bras. De kranten staan vol over nieuws gerelateerd aan corona. Variërend van de kille statistieken tot de emotionele uitbarstingen van de mensen die het allemaal niet meer trekken. En nu de cijfers aan het dalen zijn en de versoepelingen zich in een rap tempo opvolgen, voelt het voor mij alsof we uit een lange winterslaap ontwaken. Alsof ik op een soort automatische piloot de afgelopen maanden ben doorgekomen, me schikkend in de regels die ons werden opgelegd. Het levensritme vertraagde, de dagelijkse sleur werd met een zekere werktuiglijkheid ondernomen.

‘Hoogtepunten’ tijdens een dag thuiswerken zijn de buurtbewoners die hun honden uitlaten. Een enkeling ken ik bij naam, maar de meesten lopen zonder een mij bekende identiteit onder mijn raam door. En ik ben die mensen namen gaan geven, een veeg teken die de staat van mijn psychische gezondheid aangeeft. Het zijn namen die ik uiteraard verzin en die ik bij de persoon vind passen. “Hé, daar loopt Carolien met haar twee keffertjes en straks komt Marit misschien ook nog langs met haar uit de kluiten gegroeide puppy.” Marit zag ik voor het eerst tijdens de eerste coronagolf, vorig jaar mei. Ze had een leuk klein speels hondje bij zich, echt een schatje om te zien. Die heb ik dus zien uitgroeien tot een volwassen hond in de afgelopen winter. En dat valt me dus op, domweg omdat er niets anders is wat opvalt.

In het pre-coronatijdperk wilde ik me nog wel eens druk maken over een afspraak die niet tijdig werd nagekomen of überhaupt niet doorging. Een stukje van dat verre verleden speelde onlangs weer op in mijn reptielenbrein toen ik bij de huisarts een afspraak had gemaakt. Ik weet niet hoe u dat ervaart, maar als ik bij een huisarts of tandarts een afspraak maak om half negen, dan ben ik op z’n vroegst om kwart voor negen aan de beurt. Zelfs in de vroege ochtend dus als er nog geen horden patiënten het rooster van de arts overhoop hebben gegooid. Dat zinloze wachten kon ik vroeger niet goed hebben, tijd is geld, we moeten door met z’n allen, tempo. Wat een zinloos leven was dat toch dacht ik onlangs toen ik weer eens mijn kwartiertje zat uit te zitten. Niemand wachtte op mij, ik had alle tijd, dus wat maakt dat kwartiertje dan uit. Toch nog een positief effect dus van deze pandemie. Wel jammer dat de tijdschriften uit de wachtkamer zijn verdwenen om hygiënische redenen. Ik was op mezelf en mijn gedachten aangewezen. Gelukkig stond ik nog op de automatische piloot.

En dan die avondklok. Heb ik helemaal niets van gemerkt. In de wijk waar ik woon zie ik na negen uur ’s avonds nog amper mensen op straat. Het is een rust waar de gemiddelde bewoner van een kerkhof jaloers op kan zijn. En ik had mezelf onder die steen geplaatst waar ik ieder jaar na de winter weer onderuit kruip als de zon wat aan kracht wint. Wat dit jaar overigens nog niet meevalt, met die lente.

Nu met de laatste versoepelingen mogen we weer op het terras zitten. Wat een feest. Op de Hoek was het hele jaar open geweest om maaltijden te kunnen afgeven, maar nu mochten we zowaar weer op het terras plaatsnemen. En zo vond ik mij dus afgelopen zondag terug temidden van mensen die, net als ik, diep in hun winterjassen de kou trotseerden en dapper een koud biertje bestelden. We keken elkaar aan en hadden niet eens in de gaten wat een bizar tafereel het eigenlijk was. Toch voelde ik me als een koe die na een lange winter op stal gestaan te hebben de wei weer in mocht. Het biertje smaakte uitstekend en naar meer. Dit voelde toch echt aan als vrijheid, als bevrijding. We mogen weer de wei in en met een beetje geluk straks weer op vakantie. Ik wens u een heerlijke en onbezorgde zomer toe.

Paul Bras is een geboren en getogen Amsterdammer die nooit gedacht had ooit een Kudelstaarter te worden. Totdat zijn woonplaats een café kreeg, toen was hij om. Zou zelfs van de daken kunnen schreeuwen dat hij daar ‘groos’ mee is. Muzikaal talent maar dat schreeuwt hij dan weer niet van de daken. Bescheiden en zachtmoedig.

Lees vorig bericht

Rotonde Dorpsstraat later open

Lees volgend bericht

Foto 345: verzin en win


Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *