Zolang het onzegbare voelbaar is

(Column) Midden in de nacht liep ze in haar peignoir achter haar rollator steeds verder van huis. Haar tas met geld voorin het boodschappenmandje. Toevallig keek er iemand naar buiten. Niet veel later belde de politie de familie.

Wat was het dat haar de straat opdreef? Opkomende dementie? Het gevolg van de pillen om haar eenzaamheid te verdrijven? Binnen een paar maanden kreeg ze een kamer in het Kloosterhof. Tijdens één van de wandelingen die ik met haar maakte wees ze me op een bankje, daar ga ik vaak zitten. Waar denk je dan aan, vroeg ik haar? Aan niets, ik wacht. Wacht je op? Ja.

Tot haar negentigste ging het nog redelijk goed met haar, ze pochte dat ze zich nog zo veel wist te herinneren en dat ze het nog zo goed deed met spelletjes. Op een gegeven moment hield het op. Het was niet langer van belang, iedere zaterdag ging ik met haar op tour. Zij in de rolstoel en ik erachter. In het begin zag ze me nog gewoon als Joop haar zoon. Als ik tijdens een wandeling langs de Westeinder zei dat ik van haar hield, zei ze keurig, ik ook van jou net als van al mijn kinderen.

Dat er iets in haar hoofd aan het veranderen was merkte ik toen ze, tijdens onze wekelijkse uitje,  haar trouwring in de Westeinder wilde gooien. Waarom ma? Met je vader is geen afspraak te maken, hij komt ze niet na. Ik kende mijn vader en die opstandigheid na al die jaren  kon ik begrijpen en ook wel waarderen, het maakte me zelfs vrolijk. Eindelijk kwam mijn moeder in verzet. Een week later vertelde ze me,  ja je zus heeft me uitgelegd hoe het zit, ik gooi hem niet weg.

Op dat moment zat ze al in de gesloten afdeling, een eigen kleine kamer en een gemeenschapsruimte vol lotgenoten. Ik moest er aan wennen, aan mensen dolend in hun geest en troost zoekend bij een lapjespop. Is dat nog wel een menswaardig leven?

Met dat voor de buitenwereld wat tegendraadse maar voor mij vrolijk stemmende gedrag, werd ik opnieuw geconfronteerd toen ik haar, voordat we op stap gingen, naar het toilet stuurde. Ik had geen zin om halverwege de rit op zoek te moeten gaan naar een toilet, dat had ik al te vaak mee gemaakt. Braaf liep ze richting toilet. Plots draaide ze zich om en stampte met haar stok op de vloer: “Ik ben net naar het toilet geweest, ik moet helemaal niet.” Prima ma, was mijn reactie, we gaan.

Een van onze favoriete plekken om te bezoeken was wel de Historische Tuin. Als ik haar de rozenkas in reed en we langs de Roselandia kwamen, zei ze steevast, die teelde opa. Snij ze af, dan brengen we ze naar zijn graf. Dat ga ik doen moe. Het graf was al jaren geruimd, maar daar ging het toch niet om, ze was gelukkig.

In de  serreruimte kwamen we tijdens één van deze bezoeken iemand tegen die haar herkende. “Dag mevrouw Kok herkent u mij nog?” Als antwoord gaf ze: “U bent een mooie man.” Ik was verbaasd, mijn moeder die over de schoonheid van een man begint. Zo kende ik haar niet. Toen ik haar als grap zogenaamd achterliet bij de steiger net voor de Zwarteweg, gaf ze als antwoord: “Ik wacht wel tot een leuke vent mij meeneemt.” In de negentig en dan zo’n antwoord geven en dan nog wel van mijn moeder, ik genoot van haar, van haar frivoliteit.

Na verloop van tijd nam haar levenslust af, als we na afloop van onze tocht bij Müller neerstreken werd de koffie en het gebakje haar te veel. Toch wilde ze dat, koffie was vroeger de manier om me nog even wat langer bij haar te houden. Iets wat me vroeger opbrak maar waar ik nu volop naar verlangde, alleen het zat er niet meer in. Ze wist niet eens meer wie ik was. Het kwam voor dat ze me als haar nieuwe liefde zag, ja niet echt hoor zei ze dan. Meerdere malen zag ze me als haar broer en vroeg ze me wanneer mijn vliegtuig naar Canada vertrok. Ook vertelde ze aan ‘haar broer’ dat ze zo blij was dat Joop hersteld was van zijn ziekte. Jarenlang was ik nierpatiënt en door zo’n opmerking besefte ik hoe bezorgd ze toen was.

Wat zich in haar hoofd afspeelde daar had ik geen zicht op en om eerlijk te zijn, ook vroeger niet toen ze ‘normaal’ was. Toch ervaarde ik een verschil, ik vond haar veel eerlijker en niet langer gehinderd door conventies of druk van buiten hoe ze zou moeten zijn.

Ik voelde me dicht bij haar, van een verlangend kind was ik getransformeerd naar een zorgzame zoon. Toen we afscheid van haar namen was ze nog even bij en zei ze dag Jopie, dag Keessie. Samen met mijn broer aan haar stervensbed sliep ze in als een klein vogeltje. Er zijn momenten dat ik nog graag even met haar in de rolstoel langs de Westeinder wil rijden en een kop koffie wil drinken.

Tekst: Joop Kok

(advertentie)

Lees vorig bericht

Foto 281: verzin en win

Lees volgend bericht

Prins Richard de Eerste heeft er zin in


7 Reacties

  • Mooi geschreven, Joop. Dit brengt ook bij mij mooie herinneringen aan mijn moeder boven!

  • Ontroerend mooi verhaal.

  • Mooie column, Joop!

  • Heel mooi beschreven het laten gaan van haar decorum en hoe waardevol het was voor jouw.

  • Dag Joop, ja je moederjte.

    dit schreef ik nadat ik zo’n breekbaar vrouwtje door het dorp zag gaan.

    Groet De Dorpsdichter

    Blauw om grijs
    Nog maar tien turven hoog,
    ineengekrompen, zilver en grijs,
    staat ze daar in de straat
    zo goed als een leven later.
    Zal ze die stap nog doen en
    heeft zo’n stap nog baat?
    Haar frêle kromme schouders
    zuchten zacht.

    Het licht weerkaatst
    in schoongepoetste ramen.
    De lucht is blauw,
    net als het vest van het meisje
    dat haar als een zachte zomerwind
    omarmt.

    Een teder woord,
    een fluistering in een oor,
    de rimpelige wang
    een zilte traan
    en een lichte kus.
    Een glimlach breekt door,
    de meisjes lachen!

  • De tranen in mijn ogen Joop…

  • Mooi geschreven, Joop. Zeer herkenbaar. Het blijft een gemis…

Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *