Ander zicht op ‘Kudelstaart in Oorlogstijd’

Radio Aalsmeerpresentator Elbert Huijts besteedde rondom Dodenherdenking aandacht aan het boek

Het op 5 mei verschenen boek ‘Kudelstaart in oorlogstijd’ zou lezen als een jongensboek, zo schreven wij hier op AalsmeerVandaag. Joop Kok, een van onze columnisten en politiek verslaggever en met diepe wortels in het Kudelstaartse, dook erin. Joop zou Joop niet zijn wanneer hij geen kritische kanttekeningen zou hebben bij vooral de historische correctheid. Is de geschiedenis herschreven, bedekt met de mantel der liefde of lijdt het gemeenschappelijk geheugen aan hiaten? Hieronder leest u de beschouwing van Joop Kok, na het lezen van het boek.

Wat na het lezen van het boek ‘Kudelstaart in Oorlogstijd’ vooral na blijft ijlen is het gevoel dat er een geschiedenis is beschreven die met name de wat oudere en ‘oorspronkelijke’ Kudelstaarters graag willen horen. Het is geen ‘objectieve’ wetenschappelijke benadering van de geschiedenis. Aanleiding tot het schrijven van het boek was het nalatenschap van lokaal journalist Jan Buskermolen. Die was in de jaren negentig begonnen met het interviewen van oud Kudelstaarters die de oorlog nog hadden meegemaakt. Ook was hij in het bezit van brieven die tewerkgestelden in Duitsland naar het thuisfront hadden gestuurd. Hij was zich bewust van het gat dat het oorlogsgeweld in Kudelstaart had geslagen. Zij die terugkeerden spraken niet langer de taal van de thuisblijvers. Er was te veel gebeurd en de juiste woorden en beelden ontbraken. De oorlog was in het dorp nog steeds voelbaar. Dat wilde hij zichtbaar maken en aan anderen doorgeven. Zijn broer Piet heeft twee jaar geleden de taak op zich genomen om het werk van Jan voort te zetten.

Er is gebruik gemaakt van het nalatenschap van Jan, er wordt uit brieven en dagboeken geciteerd en er zijn gesprekken gevoerd met ooggetuigen en nabestaanden. Voor de duiding en het inkaderen van de verschillende verhaallijnen lag de eindredactie bij Dick van Wees. Het is een aanpak die bij mij veel vragen opriep, niet verwonderlijk, ik ken de mensen en de verhalen die nog zo lang na de oorlog in het dorp de ronde deden.

Lijdzaamheid
Wanneer ik de briefcitaten lees valt me op dat ze vooral over alledaagse dingen gaan. Er is niemand die zich vol twijfels afvraagt waar hij in vredesnaam mee bezig is of in welke waanzinnige wereld hij terecht is gekomen. Uit al die brieven spreekt vooral lijdzaamheid. Waar komt dat vandaan vroeg ik me af.  Was de Kudelstaarter niet voldoende geëmancipeerd? Werd hij daarin belemmerd door zijn geloof? Onder het kopje ‘Het dagelijks leven’ lees ik: ‘De jongeren uit de katholieke gezinnen hielden zich aan hetgeen de katholieke kerk voorschreef. Ze accepteerden dat nagenoeg zonder moeite en hadden best schik in het leven’. De volgende vraag is dan hoe dachten de kerken? Van Wees doet het af met geruststellende citaten. Gerenommeerd historicus  Jan Bank duikt er dieper op in, die stelt in zijn boek ‘God in de Oorlog’ het volgende: ‘De meerderheid van de Europese kerken en hun gelovigen, hebben ‘de oorlog en de bezetting gelaten over zich heen laten komen (…). De algemene trend was lijdzaamheid, versterkt door gevoelens van persoonlijke onmacht tegenover dwangmaatregelen van het bezettingsregime of hongersnood. Kerken namen afstand, deels uit vrees voor represailles, deels uit een keuze om de godsdienst buiten een politieke confrontatie te houden’.[1]

Het was niet pastoor van Kessel die mijn vader weerhield om zich voor de arbeidsinzet van 1943 in Amersfoort te melden. Het was iemand uit het verzet in Amersfoort. Die vroeg  mijn vader en moeder om bij hem in de auto te stappen toen ze uit het station kwamen lopen op weg naar het adres waar mijn vader zich moest melden. Ingestapt adviseerde hij hen om koffie te gaan drinken in het café tegenover het meldadres en op te letten waar de mensen bleven die naar binnen gingen. Niemand kwam terug. Ze hadden genoeg gezien, terug in Kudelstaart dook mijn vader onder.

Het verzet
In het boek lees ik, zonder enige bewijsvoering, het volgende: ‘Door hun inzet en kontakten met andere verzetsgroepen hebben de jongens het de bezetters wel moeilijk gemaakt en mensenlevens gered’. Cor Rekelhof dacht er iets anders over: ‘In 1944 kwam ik bij de BS. Het stelde geen moer voor. Je kon niets doen en we deden ook niets. En als je iets deed, zou de pastoor of de dominee worden opgepakt en voor een vuurpeloton worden gezet. Verder oefende je wat. Er kwam een man met springstof langs, maar wat kon je er mee? Hij fietste daar zomaar mee rond. We zijn niet ingeschakeld geweest. Er waren wapens, maar ze zijn niet gebruikt. Ik had zelf in mijn BS-tijd trouwens geen wapens. De BS was kinderspel[2]

Dick van Wees vertelt over het boek

De jodin
‘Wat er met haar gebeurd is, dat weet ik niet’, aldus van Wees. ‘Ze zou via het verzet afgevoerd zijn naar Amsterdam. Ook werd gezegd dat zij op het gezag van het verzet geliquideerd zou zijn’.  In de opgenomen dagboekaantekeningen van Gerry Buskermolen van zondag 13 mei, lees ik: ‘Na ’t lof zijn we naar de Heerenweg geweest. Bij ome Gerrit Buskermolen daar lag een lijk in ‘t water, een vrouw. Ze lag geboeid. De haren gingen al los. Ze was wit. Net een beeld. Griezelig. Ze weten niet hoe het komt of wie ’t is’. Op die bewuste avond hield mijn vader daar de wacht en sprak hij over een jodin toen hij later over het gebeuren vertelde. Volgens Theo Rekelhof was zij waarschijnlijk door een verzetsman uit Kudelstaart geliquideerd op de Westeinder. Theodore van Houten heeft de ware toedracht niet kunnen achterhalen. Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging was, vele decennia na de bevrijding, incompleet.[3] Jammer dat van Wees niet op zoek is gegaan.

Het geheugen
In zijn ‘Woord vooraf’ stelt Theodore van Houten vraagtekens bij de betrouwbaarheid van het geheugen na zestig jaar of van overleveringen uit de mond van kinderen of kleinkinderen. Van Wees ziet deze beperking niet, hij stelt dat de herinneringen altijd helder zijn gebleven. Ik zou wel willen weten of hij na het zien van de film Rashomon (1950) van de Japanse regisseur Akira Kurosawa, nog steeds zo zou denken. De film heeft namelijk als thema de vraag of het al dan niet mogelijk is uit de verklaringen van meerdere getuigen een eenduidige reconstructie van gebeurtenissen uit het verleden te vormen. Of er zoiets bestaat als objectieve waarheid. Nee, lijkt Kurosawa aan het einde van de film te zeggen. Maar er is nog wel barmhartigheid. [4]

Als voorbeeld uit het boek een wat onsamenhangend verslag van het ziekbed van mijn moeder na de geboorte van zus Greet. Uit het verhaal is niet op te maken van wat er nu met mijn moeder aan de hand was. Uit de gesprekken die ik met haar voerde gaf ze aan dat de naweeën niet goed op gang waren gekomen. Er was zoveel bloedverlies dat ze eigenlijk al was opgegeven en dat Greet aan de zorgen van oma zou worden toevertrouwd. Gelukkig paste de dokter de juiste ‘trucs’ toe, er werd ijs op haar buik gelegd om de baarmoeder te prikkelen om samen te trekken en haar volle blaas werd gekatheteriseerd zodat de baarmoeder weer ruimte kreeg om dat te laten gebeuren. De dokter adviseerde mijn moeder om het bij dat eene kind te laten, gelukkig heeft ze zich daar niet aan gehouden.

De handschoen
Er is een verhaal dat mijn vader jaren met zeer veel plezier vertelde. Het speelde zich af in de hongerwinter. Hij wist van een familielid van mijn moeder dat ze nog aardappels hadden en waar de pet lag waar ze bewaard werden. De honger was heftig en hij vroeg of ze wat aardappelen wilden geven. Nee Kees, er komen hier mensen uit Amsterdam langs en die betalen er grof geld voor. Diezelfde avond ging hij met oom Rinus terug en roofden ze een deel van de aardappelvoorraad. Bij thuiskomst ontdekte mijn vader dat hij een handschoen kwijt was, waarschijnlijk laten liggen. De hele nacht was mijn oma in de weer met het breien van een nieuwe handschoen. De volgende dag reed mijn vader meerdere malen met twee handschoenen op het stuur langs de plek des onheils, zo van ik was het niet. Waarom dit verhaal niet is opgenomen verbaast me. Voldeed het niet aan het geïdealiseerde beeld van dat we in Kudelstaart goed voor elkaar zorgden, of werd hierdoor een confrontatie met de desbetreffende familie voorkomen?

Menselijk tekort
Oom Cees probeerde met drank zijn spoken uit het verleden te bezweren. Toen hij met rode wijn bezoedelde lippen aanbelde liet mijn moeder hem binnen. Mijn vader sprak haar later er op aan dat ze had opengedaan en koffie voor hem had gezet. Ik kende hem nog van toen hij wat jonger was, zittend in de zon in een hemdje, met de trompet aan de mond in het zolderraam bij opa, mijn Kudelstaartse Chet Baker. Een menselijke tragedie waar je in het boek niets over zult lezen. Evenmin iets over de omstreden huisarts Wagner. [5]

Alles dat zou kunnen schuren of knarsen en ons zou kunnen confronteren met het menselijk tekort, is weggelaten. De foto op de omslag spreekt boekdelen. Een fraai ingekleurde oude foto met de kerk als middelpunt, er is niets dat ook maar enigszins naar een oorlog verwijst.

[1] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/kerken-in-de-oorlog-zwijgen-en-wegkijken~b67a31ec/

[2] Theodore van Houten, Een vrij ernstig geval, 2011, p. 241

[3]  Idem, p. 10 en p. 250

[4] https://nl.wikipedia.org/wiki/Rashomon

[5] Zie TvH p. 13 Mijn vader en broer hebben na de oorlog veel werk voor hem verricht en veel met hem gesproken. Het lot heeft hem niet gespaard.

Lees vorig bericht

Brandweer te water voor eilandbrand

Lees volgend bericht

Foto 295: verzin en win


Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *