Column: ‘Kapitaal uit Kudelstaartse klei’

Als Erik Kreike een column mag maken gaat hij niet over één nacht ijs. Geschiedenisliefhebber als hij is, neemt hij ons vandaag mee naar lang geleden toen er een heuse goudschat werd gevonden naast het Fort bij Kudelstaart. Een vergeten verhaal maar Erik praat u graag bij.

Hoe een gouden schat uit het dorp verdween…

Door: Erik Kreike. Het klinkt haast als een complottheorie: de gemeente Aalsmeer verkoopt land aan het ministerie van oorlog. Nog geen half jaar later wordt er op die plek een gouden muntenschat gevonden uit de diepe middeleeuwen met een (hedendaagse) geschatte waarde van maximaal 112.000 euro. Het merendeel van de munten (112 stuks in totaal) is terecht gekomen in privécollecties over de hele wereld. De stenen kruik waarin de schat zat, ligt nog altijd in een Rijksmuseum. De 24 overgebleven waardevolste munten liggen in de kluis van bij De Nederlandse Bank. Hoe een Kudelstaartste kunstschat aan het oog van dorpelingen werd onttrokken. En vooral… Hoe deze ‘roofkunst’ terug te halen?

Water is het nieuwe goud
Als vijfdeklasser schreef ik samen met een goede vriend mijn profielwerkstuk over de Stelling van Amsterdam als afsluiter van onze middelbareschooltijd. Een reeks forten rondom de hoofdstad die de neutrale opstelling van Nederland kon waarborgen bij toenemende militaire dreiging aan het einde van de 18e eeuw. Dreiging die destijds voornamelijk vanuit het westen en zuiden verwacht werd overigens. Die forten hebben me altijd gefascineerd. Om alleen al te beginnen bij de namen: Het fort bij Aalsmeer, ligt niet in Aalsmeer. Het fort bij Uithoorn, ligt niet in Uithoorn. Het fort dat wél in Uithoorn ligt heet dan weer Fort aan de Drecht. Maar gelukkig: Het Fort bij Kudelstaart ligt wél in Kudelstaart. De afgelopen periode is er veel te doen rondom het Fort dat inmiddels is omgedoopt tot Zeilfort. De fortbocht lijkt de laatste tijd sowieso de hoek waar de figuurlijke klappen vallen. Gesteggel over de (te grootschalige) exploitatie en navenante zorgen van omwonenden. ‘Water is het nieuwe Goud’ stond er in de Meerbode. Parkeerplaatsen van het Waterfront achter de geniedijk. Waterfront… Dat het Waterfront zó dichtbij het Fort komt is dan wel weer ironisch… Toch nog een front bij een verdedigingsfort waar nooit een noemenswaardige kogel is afgevuurd.

Terug naar het verleden: hoe kwam het fort tot stand? Op 15 december 1888 komen de Aalsmeerse gemeente en het ministerie van Oorlog tot een akkoord voor de verkoop van een lap grond waarover een weg moet worden aangelegd dat twee forten (Kudelstaart en De Kwakel) moest gaan verbinden: de latere Vuurlinie/Vuurlijn. Drie jaar later vinden we de aanbesteding hiervan ook in menig regionale krant verschijnen.

Goud is het oude goud
Maar dan!… Het is juli 1892 als blijkt dat de toenmalige gemeente Aalsmeer zich ook wel eens liet verrassen door wat er precies waar in de bodem zit. Anders dan bij Aarbeienbrug en van Cleeffkade ging het nu niet om al dan niet vermist leidingwerk maar blinkend edelmetaal: goud! Ik heb niet kunnen terugvinden welke (onder)aannemer uiteindelijk de werkzaamheden heeft uitgevoerd.  Toch is het niet ondenkbaar (ik hoop er zelfs een beetje op) dat een zwoegende Kudelstaartse of Aalsmeerse arbeider al spittend stuitte op een aardewerken kannetje op zo’n halve meter diepte. Het brak in stukken en bleek tot de nok gevuld met 112 blinkend gouden munten uit de periode 1346 – 1467; het hartje van de late middeleeuwen.

Het Algemeen Handelsblad weet te melden dat op die bewuste zaterdagochtend in 1892 de vinder(s) de munten niet voor zichzelf hielden. ’Hoewel enkele er van reeds in andere handen waren overgegaan’ was het de plichtsgetrouwe Kapitein der Genie, de latere generaal, Kleynhens die alle munten terug wist te halen en over te dragen aan de autoriteiten. Want na de verkoop van de grond van de gemeente Aalsmeer aan het Ministerie van Oorlog werd de muntenvondst eigendom van de Staat. Een jaar later staat in diezelfde krant dat de arbeider die de pot vond (zijn naam wordt niet vermeld) nog wel zijn wettelijke vindersloon van 50 procent kreeg: fl 304,57. Houd daarbij in je achterhoofd dat een arbeider per jaar tussen de 400 en 700 gulden per jaar verdiende…[1] Dat scheelde voor de betreffende man een slok op een borrel.

Museumstukken
Oude kranten, oud aardewerk en oude munten zult u zeggen. Hoe heeft dat er dan uitgezien? Nou dat weten we! Het restant van het kannetje ligt in het depot van het Leidse Rijksmuseum van Oudheden. Het wordt een ’jakobakannetje’ genoemd naar Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen (begin 15e eeuw). Alleen de onderkant resteert van dit typisch Hollandse stuk serviesgoed. Daarnaast liggen er nog 24 van de 112 munten uit de schat in de kluis van De Nederlandse Bank; de opvolger van wat in het artikeltje Het Koninklijk Kabinet wordt genoemd. Het is een mooi idee trouwens: de munten komen voornamelijk uit Vlaanderen, Midden-Frankrijk én Duitsland en laten zien dat Kudelstaarters (handelstechnisch) in contact stonden met grote delen van Europa.

Dan rest nog de vraag: hoe komen die munten in de Kudelstaartse kleigrond terecht? Er wordt aangenomen dat waardevolle zaken in de grond werden verstopt als er gróót onheil op de loer lag. Het gewapende conflict tussen Graaf Willem en Bisschop Koenraad waar een hele Kudelstaartse wijk haar straatnamen aan dankt is niet de verklaring. Deze gebeurden een paar eeuwen éérder. De jongste/meest recente munt uit de set stamt uit 1467. Aan het einde van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Deze ‘twisten’ waren een reeks burgeroorlogen. Edelen (graven, baronnen) en geestelijken (Bisschoppen en Proosten) staken elkaar naar de kroon om macht en invloed en grondbezit. De laatste erupties van gewelddadigheden in deze reeks worden de Stichtse Oorlogen genoemd en vonden plaats in 1482 en 1483. We weten dat Wilnis, Mijdrecht, Thamen (Uithoorn) en Kudelstaart destijds zijn platgebrand door Bourgondische soldaten en dat de bevolking werd gedecimeerd[2]. Zij die overbleven hadden niets meer, geen huis, geen vee, geen bestaan. Vermoedelijk is de eigenaar en ’verstopper’ van de schat ook niet levend uit dit conflict gekomen. Noch enig nazaat met kennis van de verborgen schat.

De kunst van oppotten en potjes breken
Nog even voor de boekhouders onder ons: De gemeente Aalsmeer verkocht de grond voor fl 811,43 (omgerekend en gecorrigeerd naar inflatie zo’n €10.908) waar een schat van fl 609,14 (nu zo’n €8189,-) in verborgen bleek te liggen. En natuurlijk treft het gemeentebestuur uit die tijd geen enkele blaam… Wie kon zulks vermoeden? Op een veilingsite kwam ik een soortgenoot van een van de bovenstaande munten tegen met een bod net onder de €1.000 Mogelijk zou de hele schat (112 munten) dus ook nu nog een ton waard zijn.
Maar alsof het toeval er mee speelt wordt er in de gemeenteraad momenteel gesproken over het cultuurbudget. We hebben enkele tonnen opgepot voor ‘een inhaalslag voor beeldende kunst’. En er gaat 1 ton naar ArtZuid. En voor de goede orde: ik ben een kunstleek. Zeker als het op moderne kunst aankomt.
Toch daarom bij deze een oproep aan wethouder Alink van cultuur en de gemeenteraadsleden. Heb naast nieuwe kunst óók aandacht voor oude kunst! Koop/leen/lease/vraag deze ‘roofkunst’ terug! Het is toch zonde deze schatten in depots verstopt te laten. Misschien kunnen in het bijzonder de Kudelstaarters in de Raad hiervoor nog wel een potje breken.
Het zegt ons iets over wat waarde is door de eeuwen heen; in oorlogs- en crisistijd. Het zegt ons wat vrede, veiligheid en vrijheid is in dit herdenkingsjaar. En het is boven dit alles gewoon een mooi verhaal. Te mooi om niet te vertellen.

P.S.
Dank voor de medewerking van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en de Nationale Numismatische Collectie van De Nederlandse Bank in Amsterdam voor het beantwoorden van vragen en het meedenken en meezoeken. En dank voor de afbeeldingen van en informatie over respectievelijk het kannetje en de munten.
En over mijn vorige column: ik heb een aantal reacties over de vrouwelijke kwekers ontvangen maar deze hebben nog niet geleid tot de locatie van de kwekerij. Als er nog meer tips over Mejuffrouw Ostendorp en Waller zijn dan hoor ik dat graag!

[1] In De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (1813-1870) uit 1929 noemt de schrijver (I.J. Brugmans) een heel aantal ambachten met uurlonen. Hij schrijft: Eind 19e eeuw vroegen de Haagsche bakkersknechten (die 100 uur per week werkten) een loonverhoging van 8,5 naar 12,5 cent per uur. 100 (uur per week) x 8,5 (cent per uur) x52 (weken per jaar) = fl. 442,-  en 100 (uur per week) x 12,5 (cent per uur) x52 (weken per jaar) = fl. 650,-. Waarbij opgemerkt moet worden dat bakkersknechten geschoolde ambachtslieden waren en veel civiele werken werden uitgevoerd door ongeschoolde arbeiders. Dus wellicht is bovenstaande berekening nog wat hoog ingezet.

[2] Uit “Thamen: de geschiedenis van een ‘geweeze’ dorp”. In: Westerheem – Het Tijdschrift voor de Nederlandse archeologie. De editie van 1 februari 2016. Pagina 68 tot 74.

Lees vorig bericht

‘Tientjes zijn voor ons heel wat waard’

Lees volgend bericht

Foto 318: verzin en win


3 Reacties

  • Verstopt aan het einde van de regenboog…

    ‘Een reeks forten rondom de hoofdstad die de neutrale opstelling van Nederland kon waarborgen bij toenemende militaire dreiging aan het einde van de 18e eeuw.’ (?)

    Die militaire dreiging was er door vele eeuwen heen, maar de plannen voor de huidige Stelling van Amsterdam ontstonden toch pas in de 2e helft van de 19e eeuw.
    Mede als gevolg van de Vestingwet uit 1874.
    Bouw reeks forten rond de daaropvolgende eeuwwisseling.
    Jaartal Fort bij Kudelstaart boven ingang is 1906, dus begin 20e eeuw.

  • Dus niet naast het Fort Kudelstaart. Dat is zeker.

  • Leuke culumn, ik heb het altijd begrepen dat het kruikje bij de tegenwoordige Vuurlijn is gevonden.
    Aan het einde van de Hoofdweg .

Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *