Column: ‘De Prik’        

Vandaag weer een gastcolumn. We vroegen een goede vriend(in) van de site om een gat in het rooster te vullen en dat deed hij/zij met liefde. Echter, wel met de wens het onder een pseudoniem te mogen doen. Nou houden we in het algemeen niet van anonieme bijdragen maar een column kent zijn eigen vrijheden dus doen we daar in dit geval in het geheel niet moeilijk over.

Door: Chou. Heerlijk, sneeuw, ijs en de bijbehorende pret. Naast ons op de bevroren brede sloot heeft de buurvrouw vandaag een mini-ouderwets koek-en-zopie-tentje voor de kleinkinderen ingericht en corona en de bijbehorende perikelen lijken vergeten. Oudhollandse pret en iedereen is vrolijker en opgewekter. Vaccineren en testen lijken woorden van lang geleden. Maar het is uiteraard maar schijn, zoals veel in het leven. Mijn prikmoment dat deze week plaats vond is naar de achtergrond verdrongen bij al die ijsvreugde. Dat doet echter niets af van het feit dat we nog lang niet terug zijn bij het zogenaamde oude normaal.

Afgelopen dinsdag dus op weg naar de omgeving van Schiphol voor ‘De Prik’. Doorgaans had ik in vroegere tijden, rijdend naar het gebied van de luchthaven, een feestelijk gevoel. Hoi, hoi, vliegen naar een of ander exotisch land. Dikwijls beroepshalve om er van een of ander onbekend oord een indruk te krijgen en daarvan verslag te doen aan de lezers.

Deze maandagavond was ik echter op weg naar de priklocatie GGD bij Schiphol en dat is andere koek. Een grote veel kunstlicht uitstralende hal omgeven door veel mannen in handhaverspakken die keurig het verkeer regelden

“Komt u voor testen of voor prikken,” vraagt de breedgeschouderde besnorde man me die ineens uit het niets tevoorschijn lijkt te zijn gekomen. Vriendelijk, maar op zijn manier het gezag uitstralend. Een vetvlek (late oliebol?) op zijn kraag leidt me even af en doet afbreuk aan zijn als stoer bedoelde verschijning. Wij geven aan voor ‘De Prik’ te komen, waarna snor ons keurig naar een parkeerplek dirigeert.

De lange rijen van ouderen, geflankeerd door rolstoelen en rollators die ik had verwacht aan te treffen ontbreken. De dagbladen en de TV hadden in verontwaardigd proza daar voortdurend van gerept. Maar hier staat op dit moment slechts één wachtende voor me. Zij is het type notoire mopperaarster die ongevraagd te kennen geeft het ‘hier wel heel ongezellig te vinden.’ Kennelijk heeft de chique, maar te dun geklede dame een ontvangst met cappuccino en gevulde koek verwacht. Of wellicht sherry, want het is het daarvoor geschikte uur.

Eén wachtende voor u…. Ik ben verbaasd en verheugd. Dat is wel anders als je bij de GGD telefonisch een prikmoment moet reserveren en de wachttijd kan oplopen tot een half uur. Aan wegwijzers ontbreekt het niet in de fel verlichte hal. Ik word naar een loket gebracht waar een gemondkapte juffer kritisch de vereiste papieren in ontvangst neemt en deze minutieus bekijkt. Als ik desgevraagd kan bevestigen dat ik een bepaald geneesmiddel niet gebruik (‘dan hoeft u niet naar de dokter’) word ik door een in een in het wit geklede dame naar een kamertje gebracht waar een jonge vrouw al klaar zit met De Spuit.

Niemand houdt er van geprikt te worden. Deze eveneens in het wit geklede ambachtsvrouw hanteert echter zo vaardig de spuit dat het prikmoment me vrijwel ontgaat. En nu een kwartier rusten, zegt  ze op zo’n toon die geen tegenspraak duldt. Rusten? “Ja, u moet vijftien minuten wachten voor u weer ons gebouw verlaat, want,” voegde zich er mysterieus aan toe: “je weet maar nooit…”

In een gemeenschappelijke ruimte wordt verwacht dat men zich keurig aan vijftien minuten rust houdt. Een ernstig kijkende geuniformeerde jongeman houdt nauwlettend in de gaten wie eventueel het loodje legt of ander afwijkend gedrag vertoont. Nieuwsgierig van aard informeer ik naar het quotum omvallers. Nee, in zijn dienst was het nog niet voorgekomen.

Na een kwartier loop ik weer het gebouw uit, me een echt brave burger voelend. Zo, dit hebben we toch maar vast binnen, die eerste prik.

In mijn eentje wachtend op de taxi kijk ik eens naar het het weidse plein en de zeer desolate omgeving. Geen mens te zien. Je zou het ‘unheimisch’ kunnen noemen. Onwillekeurig moet ik denken aan inspecteur Derrick, die van 1974 tot 1998 in de Duitse krimi’s altijd op zo’n gebiedende toon tegen zijn medewerker kon roepen: ”Harry, hol schon mal den Wagen.” Ook zou deze verlaten plek kunnen dienen als decor voor een film waarin allerlei onwettige handelingen plaats vinden die het daglicht niet kunnen velen.

Heb ik wel de goede prik gekregen of zouden ze in het laboratorium bij Pfizer wellicht een fantasiekruid in het vaccin hebben gestopt?

Lees vorig bericht

Drukte op ijs en verkeersinfarct bij start schaatsweekend

Lees volgend bericht

Foto 330: Verzin en win


2 Reacties

  • Wat een spectaculair verhaal. Ik kan niet wachten tot ik ook een uitnodiging krijg voor de prik.

  • Wat een ontzettend spannend verhaal, ik wil graag meer van deze anonieme schrijver lezen.

Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *