Seks, drugs en de maan is van kaas

Al sinds eind vorig jaar ben ik bezig met het schrijven van een roman. Geen reden om wenkbrauwen te doen opveren, schrijven is altijd mijn ‘ding’ geweest en schrijver altijd het droomberoep, bovendien zijn er naar verluidt een miljoen Nederlanders bezig met het in elkaar tikken van een verhaal. Inmiddels heb ik ontdekt dat schrijver zijn al lang niet meer winstgevend genoeg is om van te leven, maar het schrijversbestaan blijft toch een onweerstaanbare aantrekkingskracht op me hebben. Geen zorgen, ik zal niet vertellen waar de roman over gaat of iets in die zin. Zodra het door alle uitgeverijen is weggelachen, zal ik het op internet zetten zodat iedereen die er zin in heeft het kan lezen.

Nu zie ik u denken: “Och, wat een valse bescheidenheid daar, jongeman.” Dat vind ik heel vriendelijk van u, maar ik meen het. De kans dat een manuscript van een debuterend en onbekend schrijver wordt gepubliceerd, is zo laag dat ik beter kan hopen op een jackpot winnend lot bij de staatsloterij. Wat de kansen er niet beter op maakt, is de inhoud van het manuscript: er ontbreekt iets. Ik heb maar kort de ruimte in deze column, dus ik zal er niet al te veel omheen draaien: er wordt te weinig geneukt in mijn verhaal. Veel te weinig, zelfs. Er komen ook geen borsten in voor, nu ik erover nadenk.

U denkt misschien dat ik een grapje maak, ik mocht willen dat u gelijk had. Ik heb echt een boek geschreven, met meerdere karakters erin waarvan sommige vrouwelijk zijn en andere mannelijk, de meeste zijn jong en toch wordt er niet in geneukt. Oké, er is één mislukte poging tot, maar dat telt niet. Het enige wat mijn verhaal nog zou kunnen redden van een seksloze dood, is dat de gebeurtenissen plaatsvinden tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook dat zit er niet in, vrees ik. Seksloos en naoorlogs is het, hopeloos ongeschikt voor publicatie in een land waar debuterende dertigers al op de eerste pagina een seksscène inpassen (veel verder dan de eerste pagina’s van James Worthy’s James Worthy kwam ik niet voordat ze me de Bruna uitschopten).

Vanwege die fatale gebreken (en mogelijk het feit dat het geen briljant en/of baanbrekend werk is) zal mijn ‘debuut’ waarschijnlijk ongepubliceerd en ongelezen op internet belanden. Toch heb ik nog steeds goede hoop om Aalsmeer op de literaire landkaart te zetten. Eerst verander ik mijn naam in iets lekker Hollands, Henk Ingridsma of iets in die richting. Onder dat pseudoniem begin ik te werken aan mijn tweede roman: Liefdesbunker ’44, waarin twee vrijgevochten jonge mensen zich samen in een bunker opsluiten om te schuilen voor de Duitsers, verliefd worden en vervolgens seks hebben, terwijl in flashbacks het verhaal van hoe ze precies in die bunker terecht zijn gekomen wordt verteld. Dan blijkt aan het einde dat zij het kind is van Adolf Hitler en een joodse vrouw!

Het spijt me dat ik de schokkende twist heb verklapt, maar ik weet het goed gemaakt. Zodra mijn superpubliceerbare tweede roman af is, zal ik iedereen die een uitgeprinte versie van deze column meeneemt, van een gratis gesigneerde eerste editie voorzien. Maar voor het zover is moet ik eerst dat verdomde onpubliceerbare debuut nog afmaken, want het is nu toch al bijna af.

Is getekend,

Henk Ingridsma, toekomstig Literatuurprijswinnaar voor Liefdesbunker ’44.

Lees vorig bericht

Verkassen richting Ikeastan

Lees volgend bericht

Reissneeuw


Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *