Pierre’s Pennenstreken: ‘Sunny Home’

Pennenstreek 348. Twaalf jaar later kwam ik hem nog eens tegen. Op de brug van het station Leiden naar het stadscentrum. Het was een zonnig voorjaar en Maarten Biesheuvel was in een goed humeur. “Ha Pierre,” zei hij – en direct daarna: “Wil je mijn houten huis zien?”

Dat wilde ik wel en wij liepen door de straatjes van de binnenstad in oostelijke richting. Onderweg vertelde Maarten dat hij een baantje had bij het Leidse ziekenhuis – ‘een sinecure’ noemde hij dat. Hij kwam daar juist vandaan. Ik zei dat ik nu alweer vijf jaar redacteur was bij het NOS Journaal, na een paar jaar uitgeverij (Singel 262) en VARA’s actualiteitenrubriek Achter het Nieuws.

Toen wij langs een schoenenwinkel kwamen, zei hij: “Even wachten. Ik heb daar gisteren nieuwe schoenen gekocht en die zitten erg lekker. Dat ga ik ze even zeggen.” Hij stapte naar binnen en was al snel weer terug.

Tussen de flatgebouwen in de nieuwbouwbuurt die buiten de stadswallen verrezen waren, stond, half verscholen in het groen, inderdaad een houten huisje met een bord boven de deur: ‘Sunny Home’. Later las ik dat Maarten soms wel eens naar de overkant van de straat liep om zijn huis vol trots in ogenschouw te nemen. Hij had het kunnen kopen, omdat zijn verhalenbundel In de bovenkooi een enorme bestseller was geworden – dat ik hem dat succes had voorspeld, kon hij zich niet meer zo goed herinneren.

Het was een volle huiskamer, er waren een paar katten, en wij werden liefdevol ontvangen door Eva, die de opgewonden grootspraak van haar echtgenoot heel tactisch wist te relativeren.

Ook op bezoek was een oudere man, J.J. Peereboom, wiens naam mij bekend voorkwam, omdat ik zijn artikelen vaak was tegengekomen in Het Parool, dat mijn ouders lazen, en in NRC Handelsbladdat ikzelf had. Wij kregen een glaasje wijn aangeboden dat door Maarten werd aangeprezen als: “Best heel goed, voor 5,75 per fles.” Ik dronk – en drink – niet zo graag wijn, dus werden er voor mij een paar pijpjes bier georganiseerd (ik geloof dat Eva ze bij de buren haalde). Zo werd het heel gezellig. Zo gezellig, dat ik de moed opbracht om Peereboom, die met zijn auto toch die richting (Hilversum, Bussum?) uitging, te vragen mij af te zetten bij een bushalte in de buurt van het Olympisch Stadion. Een aardige man…

Leiderdorp
In de zomer van 1972 woonden Maarten en Eva in een flatje in Leiderdorp. Twee- of driehoog, dat weet ik niet meer zo goed. Toen ik de betonnen trap had bestegen, werd ik ontvangen in een nauwelijks gemeubileerde kamer met goedkope vloermatten zoals je die vaak in studentenkamers aantrof. Bij wijze van behang waren allerlei krantenartikelen op de muur geplakt. In het slaapkamertje waar ik langs was gekomen, stond een fiets op het bed.

“Ik ben pas een paar dagen weer thuis,” zei Maarten, “Eva komt zo. Ze is boodschappen aan het doen.” En dan, plotseling: “Ben je met de auto? Ik heb zo lang niet in een auto gezeten. Zullen we een eindje gaan rijden?” Hij had meteen een ‘klik’ met mij, omdat ook Eva een hand miste, zij het aan haar linkerarm.

We reden een paar rondjes door Leiderdorp en pas toen we in het flatje terug waren, kwam het doel van mijn komst ter sprake.

In 1970 was ik – na een niet-afgemaakte studie sociologie en een mislukte carrière als bloemenhandelaar in de zaak-van-mijn-vader – redactiesecretaris van een Engelstalig cultureel kwartaalblad geworden: Delta, A Review of Arts Life and Thought in The Netherlands. Een van de redacteuren – het kan Dick Hillenius geweest zijn, of Aad Nuis – had in Hollands Maandblad een kort verhaal gelezen dat heel geschikt was voor Delta: ‘De heer Mellenberg’, geschreven door een zekere J.M.A. Biesheuvel. Het was gebruikelijk dat bij de korte verhalen in het tijdschrift een illustrator werd gezocht. En omdat Biesheuvel schreef dat de kunstschilder Bert Jonk arbeidstherapie gaf en zijn ets-leraar is geworden, kwam ik vragen of de auteur misschien zelf ‘nog iets had liggen’ wat bij het verhaal kon worden geplaatst.

En dat had hij! Hij had er zelf niet zo’n hoge pet van op, maar hij haalde – met behulp van Eva die intussen was thuisgekomen – een indrukwekkende ets en pentekening tevoorschijn. Ook had hij werk van de in het verhaal beschreven ‘patiënt’ Mellenberg, die ‘Het energieverbruik tijdens het spreken’ met behulp van een woordenboek in het Frans, Duits en Engels had vertaald (zie bijlage hieronder).

Ik ben nog vaak in Leiderdorp terug geweest. Omdat ik nogal politiek actief was (raadslid voor d’66) werd ik door Maarten – die daar erg mee bezig was –  gevraagd om deel te nemen aan een ‘initiatiefgroep Mensenrechten’ die de basis moest leggen voor een op te richten ‘Fondation Européenne des Droits de l’Homme’. Maar Amnesty International had al hetzelfde doel, dus dat is nooit van de grond gekomen.

De beste vrienden en collega’s van Maarten Biesheuvel schreven in de NRC: ‘Waar je naar verlangde, Maarten: Samen met Eva in de Bovenkooi. Dag, lieve vriend, vaarwel!’

Tekst Pierre Tuning

 

 

 

 

 

P

Lees vorig bericht

Oosteinderpoel krijgt impuls

Lees volgend bericht

Max Sadurski ‘best wel blij’ met vier overwinningen


Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *