Gatverdegatver

Op het moment dat ik deze column schrijf, is het bloedgeslagen heet buiten. En bínnen, vooral binnen, het is op mijn werkkamer niet te harden. Luiken vroeg voor de ramen, deuren tegen elkaar open, niks helpt. Airco heb ik niet, krijg ik een zere keel van. Het zweet loopt over m’n rug. Eigenlijk heb ik dan ook helemaal geen puf om een stukkie te schrijven. Maar het moet, ik ben aan de beurt.

Ik ben net mijn vuilcontainer weer op wezen halen. De Meerlanden was nog volop bezig in de straat, zag ik. Gaat wel makkelijk tegenwoordig. De chauffeur kan gewoon achter z’n stuur blijven zitten. Hij hoeft alleen maar op een knop te drukken en de rest gaat vanzelf. Automatisch grijpen een paar ijzeren armen de bakken in hun lurven, om ze vervolgens in de wagen leeg te kieperen.

Om het proces goed te laten verlopen, is het wel belangrijk dat de rolemmers keurig in het gelid staan. Met de ‘neuzen’ allemaal in dezelfde richting. Een collega van de chauffeur loopt dan ook vooruit, om ze goed neer te zetten. Dat is wel even andere koek dan vroeger, toen vuilnismannen met hun blote handen zelf ‘vullisemmers’ moesten legen.

Volgens de regels, mag je de vuilcontainer, of die nou grijs, groen of blauw is, pas ’s morgens tussen half vijf en half acht buiten zetten. Maar niemand die zich daar aan houdt. Natuurlijk niet, geen mens die ’s morgens vroeg zijn bed uitstapt om de container aan de wegkant neer te zetten. Ik niet, in elk geval.

Het was al laat gisteravond, toen ik de grijze container naar voren bracht. Wat ik al had verwacht, er stond reeds een lange rij op de stoep. Dat was wel te ruiken ook, trouwens. Gatverdegatver, wat stonk het er, een uur in de wind! Hordes vliegen zwermden rondom de bakken, waarvan een aantal deksels openstond. Deksels mogen niet openstaan, maar er zijn nog altijd mensen die menen daar lak aan te mogen hebben.

Met dat warme weer zou je bijna medelijden krijgen met vuilnismannen. Maar ze hebben vrijwillig voor dit werk gekozen en dan weet je dat je in de zomer een knijper op je neus moet zetten. Met wie ik wel echt medelijden heb, zijn de bewoners van de huizen waar vuilcontainers voor op het trottoir verzameld moeten worden. Die hebben er niet om gevraagd elke week in een rotlucht te zitten en tegen een rij van die bakken aan te kijken.

Heerlijk, als je ’s zomers met mooi weer in je voortuin wilt zitten en je kijkt uit op een rij vullisbakken. Lekker, als je in het zonnetje van een bakkie koffie met een zomers stuk vruchtenvlaai wilt genieten; dan ga je toch over je nek, als je vliegen ziet zwermen rond openstaande deksels waaronder allerlei smerigheid ligt te rotten. Vreselijk toch, als je met zwoele nachten je slaapkamerraam dicht moet houden, omdat je anders in je bed ligt te kokhalzen vanwege die doordringende stank.

Gelukkig heb ik het op dit moment alleen maar ontzettend warm op mijn kamer en heb geen last van stinkende vuilcontainers onder mijn raam. Anders had ik mijn beurt voor een column toch echt voorbij laten gaan. Nou ja, column…, ik geef toe: een slap stukkie, maar meer breng ik niet op vandaag.


 

Lees vorig bericht

Willem

Lees volgend bericht

Toosten op cultuurpunt


Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *