Aalsmeer en ik

Aalsmeer en ik verlaten elkaar soms. Er zijn periodes dat ik weken, soms maanden de dorpskern, waar ik toch al niet bijzonder vaak te vinden ben, niet bezoek. Het waarom weet ik niet precies. Misschien omdat het toch twintig minuten fietsen is, misschien omdat ik me er sinds ik de basisschool heb verlaten onbewust altijd op gericht heb zo veel mogelijk afstand te doen ontstaan tussen mijzelf en Aalsmeer. Het een haat/liefdeverhouding noemen gaat wat ver; op de pieken vind ik Aalsmeer niet veel fantastischer dan ‘gaat wel’ en in de dalen niet veel verschrikkelijker dan ‘zal wel’.

Ik ben afgelopen tijd na gaan denken over hoe Aalsmeer en ik zich tot elkaar verhouden om twee redenen: een studiegenoot en een foto. Klinkt vreemd, maar dat is ook de bedoeling van de titels. Prikkelend schrijven heet dat, ze hebben me op de School voor Journalistiek verteld dat het belangrijk is prikkelend te schrijven.

De studiegenoot deed zijn uitspraak tijdens een discussie over individuele binding met een gemeenschap (in ons geval zijn wij allen ‘Nederlander’ wat dat dan ook precies moge zijn). Ik had zelf net de naar mijn idee geniale mening uitgesproken dat ‘binding’ met alles kan; mijn voorbeeld was Aalsmeerders die zich zeer Aalsmeerder voelen. De studiegenoot merkte zuchtend op dat ik “alweer” was begonnen over dat dorp waar ik vandaan kom. Dat doe ik, zo bleek ook na een kleine rondvraag onder andere studiegenoten, wel vaker. Andere les die dag is dat ik vrij vaak het woord ‘nogal’ gebruik, wat vreemd is want dat was mij nog nooit opgevallen, maar sindsdien vermijd ik mijn stopwoordje uit principe.

Aalsmeer zit kennelijk in mijn onderbewustzijn. Het is mijn ‘ijkpunt’ voor allerlei zaken: van kleine gemeenschappen tot grote bedrijven en van regionale identiteiten tot hondsberoerd openbaar vervoer, Aalsmeer komt in mijn verhaal voor. En dat is best een beetje deprimerend, kan ik u zeggen. Ik zie mezelf graag als een kosmopoliet, een stedeling en vooral heel erg niet vastgebonden aan een klein dorpje naast een gigantische bloemenveiling. Maar het lijkt erop dat ik Aalsmeerder ben net zoals ik Ajacied ben; zonder dat ik er veel aan kan doen.

De foto was een iets horrorfilm-achtig scenario. Stelt u zich voor: woest aantrekkelijke jongen, vijfentwintig jaren oud en zittend op zijn bed. Woest aantrekkelijk, dat is belangrijk in dit verhaal, vergeet u dat vooral niet. De jongen zit, zoals hij wel vaker zit, een beetje op zijn dooie akkertje door wat door anderen klakkeloos op het internet gegooide foto’s te kijken en treft een fotoserie met Russische straatbeelden aan. Hij klikt en de dertig minuten die volgen zoekt hij in de straatbeelden naar leden van het gefotografeerde publiek die iets grappigs doen. Twee mannen zitten in hun neus te wroeten, een vrouw zit om onduidelijke redenen naast haar fiets op haar knieën naar het trottoir te kijken: een aantal oude dames wijst vol afkeuring naar een aantal jonge mannen die met iets te gestileerd haar naar een gettoblaster kijken.  Een man van middelbare leeftijd staat bij een bloemenkraampje en kiest een boeketje uit voor iemand die bijzo—wacht even. De jongen staart verbijsterd naar zijn scherm.

Die bloemenbak komt hem angstig bekend voor. Aalsmeer. Plots bekruipt hem het angstige gevoel dat hij afkomstig is uit het enige dorp ter wereld met een wereldwijd exportproduct. Het gevoel dat waar hij ook naartoe gaat in zijn leven, waar hij zijn woest aantrekkelijke verschijning ook naartoe verplaatst, Aalsmeer uit het oog verliezen lastig zal worden. Bestaan er überhaupt bloemenwinkels zonder Aalsmeerse input? Hem bekruipt het gevoel achtervolgd te worden. Door een dorp. Nu ik het zo terug lees is het niet een plot voor een hele beste horrorfilm. Excuus.

Natuurlijk overdrijf ik wat. Bij de tips over columns schrijven zeiden ze bij de School voor Journalistiek dat humor belangrijk was. Het was dus humoristische overdrijving. Als u niet gelachen heeft raad ik u met klem aan het opnieuw te lezen; ik verzeker u dat dit alles eigenlijk hilarisch was. Andere belangrijke les bij columns schrijven: niet te lang doorgaan en eindigen op een bitterzoete noot. Dus, ter conclusie de hoofdpunten uit wat u zojuist gelezen heeft: hoe weinig ik ook zie van Aalsmeer, ze verlaat mij nooit omdat ik 1) In mijn onderbewustzijn een Ajax-minnende Aalsmeerder ben, 2) Aalsmeer mij achtervolgt in de vorm van kleurige planten en die vermaledijde bloembakken. Nog belangrijker misschien is dat ik opvallend vaak het woord ‘nogal’ gebruik. Het allerbelangrijkst is dat ik woest aantrekkelijk ben. Vergeet vooral dat laatste niet.

De echte vraag is of ik er blij mee moet zijn, met de Aalsmeerder in mij. Het is wel leuk allemaal hoor, het zijn van een wereldse kosmopoliet, maar stiekem is het ook wel leuk dat er een paar vierkante kilometer van deze planeet bestaat waar ik thuis ben. Dus het is wel leuk, ja. Nogal leuk. Vreemd woord trouwens, nogal. Ik zeg het vaak, maar iedere keer dat ik het wil typen, schrijf ik noga. En ik lust niet eens noga. Leuk feitje om zelf te proberen: als u na het lezen van bovenstaande alinea ‘nogal’ probeert te zeggen, zegt u ‘noo-gaal’, komt omdat de hersens nog met noga in hun hoofd zitten.

Lees vorig bericht

Reissneeuw

Lees volgend bericht

De Duports en het nieuws


Plaats reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *