Door: Dick Piet. Overmand door nostalgische gevoelens (waar ik vaker last van heb) fietste ik naar Oost. Om precies te zijn, naar Oosteinderweg 239. De plek, waar ik in de zomer van 1946 ben geboren. “O,” hoor ik u nu snel rekenen, “dus je bent 80?” Ja, klopt, zou je niet zeggen, hé… “Nee, je ziet er stukken jonger uit.“ Ja, ja, aardig gezegd, maar onderwijl denkt u: “hij heeft inderdaad een ouwe kop.”
Toen mijn moeder 80 werd, zei ze: “Ik voel me vandaag net zoals gisteren.” Tsja, het is ook maar een getal. Zo is het. Maar toch… Als ik nu achter mijn naam mijn leeftijd tussen haakjes vermeld zie staan, vind ik dat best confronterend. Schokkend zelfs, vooral als ik in Wikipedia lees dat 80 jaar wordt beschouwd als de grens waarop iemand ‘hoogbejaard’ is. Kom op zeg, dat ben ik nog láng niet.
Of toch wel? Laatst riep een klein meisje ‘dag opa’ naar me. Nou heb ik vijf geweldige kleinkinderen, die ‘opa’ tegen me zeggen. Dan voel ik me apetrots. Zij weten niet beter, dan dat ‘opa’ de vader van hun vader is. Maar als andere kinderen je zo noemen, is dat omdat ze ‘opa’ automatisch associëren met een oude man. En een bekend gezegde luidt: kinderen en dronkaards spreken de waarheid.
Maar goed, ik was op de fiets (als een eigenwijze Hendrik Groen, zonder helm) op weg naar waar mijn wieg stond. Mijn tachtigste verjaardag vond ik een mooie mijlpaal om ter plekke ‘twee minuten’ stil te staan bij mijn kindertijd. Die hier op mijn vijftiende eindigde, toen we gingen verhuizen. Ik wilde even de kastanjeboom aanraken, de ‘boom die alles zag’. De enige van ‘het tuinpad van mijn vader’ die nog steeds fier overeind staat.
Ik kwam op een goed moment. De grond onder de boom lag bezaaid met kastanjes. De herinneringen aan toen ik nog klein was, lagen er bij wijze van spreken meteen voor het oprapen. Mijn broers en ik konden nooit wachten tot de kastanjes spontaan uit hun stekelige bolsters vielen. Dan mepten we ze er met stokken uit. En ’s morgens vroeg uit bed, om te voorkomen dat andere kinderen ‘jouw’ kastanjes pikten.
Wat mij raakte, toen ik bij mijn bakermat arriveerde, waren de twee witte zwanen in de sloot. Het is dat ik vrij nuchter ben, anders zou ik daar iets ‘diepers’ achter zoeken. Wij hadden er vroeger namelijk ook twee zwanen zwemmen. Midden in de sloot had mijn vader een hok voor ze gebouwd. Om te voorkomen dat ze weg zouden vliegen, kortwiekte hij hun vleugels. Wat één van de zwanen een keer niet belette, om zich aan het schort van moeder de kant op te hijsen en haar vervolgens bont en blauw een hoek in te meppen. Gelukkig schoot een voorbijganger tijdig te hulp.
Verder trof ik op nummer 239 een troosteloze bende aan. Eigenlijk is dat het al sinds 1961, toen ‘Bloemenlust’ (tegenwoordig een sport- en recreatiecentrum) ons huis en de kwekerij van mijn vader en oom (die met zijn gezin achter ons woonde) kochten om de veiling uit te breiden. Mijn geboortehuis ging plat en werd toegangsweg naar de nieuwe aanbouw. Nadat de veiling in 1972 was verhuisd naar de VBA aan de Legmeerdijk, werd het tevens parkeerterrein.
Behalve het voormalige schoolgebouw (via een gat in het hek kon ik zo vanuit huis naar school) en het voormalige veilinggebouw (waarin ik met vele kinderen uit de buurt bijna dagelijks speelde) staat daar nog de dubbele portierswoning. Aan de ene kant woonde buurman Van Itterzon met zijn gezin (en hond Pandie), aan de andere kant buurman Vermeer met zijn gezin.
Met de laatste heb ik het nog een keer flink aan de stok gehad. Belletje trekken, vonden we een spannend spelletje. Om het nog leuker te maken, hadden we bedacht punaises op de stoep te leggen. Verdekt achter het hek van de school, keken we toe wat er ging gebeuren. Zoontje Gerard deed de voordeur open. Hij was op zijn blote voeten… Ik werd door buurman Vermeer als enige sadist aangezien en moest hem van mijn vader excuus gaan aanbieden.
Zo kan ik nog tig columns vullen met herinneringen aan die goeie ouwe tijd. Wat kan ik terugzien op een geweldige tijd op en rond Oosteinderweg 239. Voordat ik weer op mijn fiets stapte, omarmde ik ‘mijn’ kastanjeboom. Letterlijk, ja. Ik keek wel snel om me heen of niemand mij zag. Op de terugweg ging ik langs bij het graf van mijn ouders. Om ze te bedanken voor het leven dat ik van hen heb gekregen.
En voor al die mooie, dierbare herinneringen aan vervlogen tijden!
Dick Piet is journalist. Geeft zijn nieuwsgierigheid al meer dan een halve eeuw de vrije loop in de schrijverij. Schopte het tot hoofdredacteur van de Aalsmeerder Courant. Graaft op papier graag dieper dan anderen in naoorlogs Aalsmeer. Pleziert Aalsmeerders veelvuldig met foto’s van vroeger op platform ‘Je bent Aalsmeerder als…’ en met nostalgische filmavonden in de Feestweek waarvoor hij koninklijk onderscheiden werd.


















/LJ-de-Vries.png)





3 reacties
Wat mooi en ook ontroerend geschreven.
Prachtig ,Dick,vooral het verhaal van de kastanjes. Vroeg je bed uit en rapen en uren knutselen.Allemaal vermaak ,bezig zijn,het is voorbij die technieken. Maar……. een heel mooi ook wel ontroerende terugblik.dank je wel
…ik was een kind en wist niet beter Dan dat ’t nooit voorbij zou gaan
Compliment voor de schrijver van de column!